- Er zijn zoekacties geweest waarbij Justitie surveillancehonden heeft
ingezet voor het speuren naar vermiste personen. Betreffende honden worden
normaal bij evenementen etc. ingezet, waarbij het geweldsaspect een rol
speel, een specialisatie "het zoeken naar vermiste personen", is
deze honden nooit geleerd.
- Sommige vrijwilligersorganisaties hebben speurhonden ingezet, als de
vermiste persoon niet meer in leven kan zijn, dit terwijl de
overlevingskans van een vermist persoon drastisch daalt na de eerste 24
uur.
- De inzet door justitie van een surveillancehond bij een
verdrinkingsongeval.
Te vaak worden speurhonden ingezet die geen specialisatie, lijkenspeurhond,
gevolgd hebben. Dit is het geval bij het waterzoeken (personen die verdronken
zijn) en bij het zogenaamde vlakte revieren (vermissingen in een landelijke
omgeving).
Veel honden die ingezet worden bij het waterzoeken hebben alleen geleerd om
een duiker te lokaliseren. Dit is naar de mening van LiSAR onvoldoende. Naast
de duiker zijn voor deze opleiding echte en chemische
geur stoffen onontbeerlijk. Het blijkt echter
dat 98% van de organisaties beschikt niet over deze stoffen.
Naast de blijvende onzekerheid van familieleden is het een kwalijke zaak
dat een gebied door onprofessionele begeleiding onterecht wordt vrij gegeven
(dit betekend dat er niemand in ligt).
LiSAR pleit dan ook voor een goede opleiding van geleider en hond. Een
opleiding die zorgdraagt voor een maximale toesnijding op de later in te
vullen taak en inzetbaarheid. Verder stellen wij dat indien toch gebruik gemaakt moet worden van
"gewone speurhonden" dit nooit later dan de eerste 24 uur na
vermissing moet geschieden. Zoekacties op latere tijdstippen dienen altijd
door een gespecialiseerd team uitgevoerd te worden.
Achtergrond informatie.
Wat belangrijk is voor een zoekactie, is om aan de weet te komen of de
persoon nog in leven is of niet. Als de persoon in leven is kan gebruik gemaakt worden van: De
kunst van het zoeken.
Indien de zoekactie uitgevoerd wordt op basis van de
aanname dat de persoon overleden is of sprake is van een langere "vermissingszaak"
kan onderstaande informatie nuttige zijn.
- De vertering van een stoffelijk overschot.
De snelheid waarin een stoffelijk overschot verteert is sterk afhankelijk
van de structuur van de aarde, hoe meer zuurstof met het lichaam in contact
komt des te sneller zal het lichaam verteren.
Als een stoffelijk overschot open en bloot licht zal het binnen een jaar
volledig geskeletteerd zijn. In warme gebieden zoals in de woestijn zal dit al
na twee maanden het geval zijn.
In kleilaag wordt een lichaam volledig afgesloten van zuurstof en is
vertering onmogelijk. Een lichaam in een kleilaag zal volledig mummificeren.
In droge aarde zal een lichaam binnen vijf jaar volledig zijn geskeletteerd. Water vertraagd de vertering en in drassige grond duurt het tien jaar.
Indien op de dag van een gedolven graf (de vermissing) het goed heeft geregend
en zodoende het graf erg nat is geweest is de kans groot dat de staat van
ontbinding minder ver gevorderd is.
De gezondheid van een vermist persoon, dikke vetlagen, forse spiervorming
en of zelfs de kleding werken vertragend op het verteringsproces.
Een strak geweven spijkerbroek conserveert beter dan een flanellen
zomerbroek en Nylons houden de vertering helemaal tegen. Het is mogelijk dat
het nylon nog intact is en dat de geskeletteerde benen er nog inzitten.
Is het lichaam in plastic gewikkeld, stopt de vertering en de inhoud wordt
geconserveerd.
De snelheid van ontbinding is afhankelijk van temperatuur,
vochtigheid en omgeving:
Mate van ontbinding:
- - koud(<10C)/ warm(>10C) langzaam/ snel
- - droog/ vochtig langzaam/ snel
- - begraven/ open langzaam/ snel
De oorzaak is gelegen in de flora die voor ontbinding
zorgt:
- Open/ vochtig: lijkvet, bacteriën, insecten
- Dicht/ vochtig: lijkvet, bacteriën
- Open/ droog: bacteriën, insecten
- Dicht/ droog: mummificatie
Zo kan tot een schatting gekomen worden hoe lang een
lichaam nog aanwezig is:
- Tot een halfjaar: warm/ vochtig/ open
- Half tot 1 jaar: warm/ vochtig/ dicht
- 1 tot 3 jaar: koud/ vochtig/ open en warm/ droog/ open
- 3 tot 5 jaar: koud/ vochtig/ dicht en koud/ droog/ open en warm/ droog/
dicht
- 5 tot 10 jaar: koud/ droog/ dicht
Deze omstandigheden spelen niet alleen een rol in hoe snel
een lichaam ontbindt, maar daardoor ook de hoeveelheid geur (en welke) de hond
ontvangt tijdens het zoeken.
Naast het stadium van dood speelt ook temperatuur en
luchtdruk een rol in de hoeveelheid geur die de hond kan ontvangen.
- Hoge omgevingstemperatuur: lucht stijgt hoger, meer verdamping
- Lage omgevingstemperatuur: lucht blijft meer op het wateroppervlak hangen/
minder verdamping
- Lage luchtdruk: sterkere verspreiding van de lucht, meer verdamping
- Hoge luchtdruk: minder verspreiding van de lucht, minder verdamping
Daarnaast geeft een hoge windsnelheid de mogelijkheid dat
de geur verder gedragen wordt.
- Goede condities: hoge temperatuur/ lage luchtdruk/ veel wind
- Slechte condities: lage temperatuur/ hoge luchtdruk/ weinig wind
Er zijn een paar redenen waarom iemand vermist blijft.
- Er is een delict in het spel.
- De persoon wil niet gevonden worden en/of verblijft in het buitenland.
- Er is hem een ongeval overkomen.
(Punt 2 en 3 worden niet behandeld).
Werkwijze in geval van een delict.
Onderstaande is enorm afhankelijk van de interpretatie en het ergens in
geloven, tevens zijn doorzettingsvermogen en inzet onontbeerlijk om maximaal
succes te behalen.
Vooronderzoek.
- Ga na onder welke omstandigheden het delict gebeurd is, (zou zijn) welk
soort dader(s) komen in aanmerking.
- Je moet je inleven in de daders, let niet op details deze leiden af. Kijk
naar het verdachte terrein door de ogen van de moordenaar.
- Is het een moord met voorbedachten rade, dan kan de dader materiaal zoals
een schop hebben meegenomen en kan hij dieper gegraven hebben. Wel is er de
kans om ontdekt te worden, dus zal hij een plaats uitzoeken waar niemand te
verwachten is.
- Een zedenmisdrijf is in de regel door een dader gepleegd.
- De impulsieve moordenaar dumpt zijn slachtoffer onder takken, bladeren of
begraaft het net onder het maaiveld. Vaak is de aarde slecht aangestampt of
is de begroeiing vertrapt. Het moet vlug-vlug.
- Houdt rekening met meerdere daders bij een afrekening, die kunnen een
lichaam verder slepen dan 250 meter.
- Bij voorkeur het gebied tot 250 meter langs een pad dat met de auto
bereikbaar is.
Beschikte de daders wel over een auto? Welke route (zouden ze kunnen) hebben
genomen? Waar is de verdachte auto gesignaleerd, bij voorkeur langs een pad
met de auto bereikbaar.
Ga na hoe zwaar het vermiste lichaam is en vraag jezelf af: Hoever kun je
ermee slepen als het vlug moet, zelden is het meer dan 250 meter, bij een
lichaam van zestig tot honderd kilo.
- Het lichaam ligt niet begraven in de buurt van bomen en struiken. Dit
vanwege de aanwezigheid van wortels want hier kun je niet graven. (Indien
het erg lang geleden is kunnen er wel struiken of bomen over groeien aan de
hand van de leeftijd van bomen kan dan terug gerekend worden of dit mogelijk
was ten tijde van de vermissing).
- Zoek naar een open stuk terrein in - tegen de donkere bosrand aan. De
moordenaar zal een plaats opzoeken met zichtdekking.
- Het lichaam bevind zich vaak niet dieper dan twee meter.
- Gemiddeld tussen de vijftig en vijfenzeventig centimeter diep.
- Indien het lichaam dieper ligt dan een meter kunnen vossen, wilde zwijnen
het ruiken. De ledenmaten liggen dan verspreid over het terrein. Ga dus na
of deze voorkomen in het gebied.
- Zoek naar verzakkingen in de grond en indien het nog niet lang geleden
(vers) is naar graafsporen.
- De locatie van een graf is zelfs naar maanden of jaren duidelijk
herkenbaar door brandnetelgroei, groener gras, er woekert meer onkruid en er
is explosief plantengroei. Het groeiseizoen van planten speelt een grote
rol. Zoek ook naar combinaties van verzakkingen en brandnetels, groener
gras, meer onkruid en explosief plantengroei.
- De aarde is donkerder, net alsof er een schaduw over valt.
- Omgespitte, donkere aarde, zonder vegetatie, betekent nog niet dat er geen
lijk ligt. Soms duurt het langer dan een jaar voordat plantengroei tot boven
het maaiveld doordringt.
- Zoek naar combinaties van deze factoren dan is het voor 70% zeker dat er
een lijk ligt.
- Brandnetels gedijen uitstekend op gestort beton in de grond, er zit
calcium in. Maar ook een stoffelijk overschot heeft goede voedingsstoffen.
Inzet in combinatie met de prikstok en
lijken-speurhond.
Is eenmaal een interessant gebied gevonden dan wordt de lijkenspeurhond
ingezet. De actie kan dan het beste verlopen volgens onderstaand voorschrift.
- Zoek het gebied grof tegen de wind af. 2. Indien dit geen resultaat geeft
gaat met over op een fijnzoek methode. 3. Indien dit nog geen resultaat
geeft wordt een prikstok gebruikt.
Prik met de prikstok om de 50 centimeter en maak een rechte lijn. De tweede
rij is 30 centiemeter ernaast. Tussen de eerste en tweede steek en zo
verder. Ga zo het hele gebied af. Met gebruikmaking van piketten en touw.
Zet nadat de gaten gemaakt zijn de lijkenspeurhond opnieuw op.
- Gebruik een prikstok tot maximaal zestig tot zeventig centimeter diep in
een hoek van 45 graden, steek het gat met de wind mee.
- Met een prikstok ga je gemakkelijk door de grond als er voordien is
gegraven. Voel je weerstand/gaat dit moeilijk, dan is de grond maagdelijk,
er gaan jaren (decennia) overheen voordat de grond weer hard is.
- Indien je op iets stuit dat zacht is en het veert redelijk terug zou het
een lichaam kunnen zijn. (zoals bij een begraven "volle" vuilnis
zak). Prik erdoor en trek dan onder dezelfde hoek de prikstok terug. De
rottende, afstervende bacteriën stijgen in nevelvorm of dampvorm op.
Doordat er in een hoek van 45 graden met de wind mee geprikt is treedt er
een aanzuigende werking vanaf de geurbron op. Dit is gemakkelijk ruikbaar
voor de
lijken-speurhond.
- Indien je nu aanwijzingen van je hond hebt "of zelf vermoedt"
dat er ooit gegraven is, haal dan voorzichtig de bovenlaag, de graslaag weg,
het is voor altijd zichtbaar dat de aardstructuur veranderd is.
De zandlaag, de humuslaag en oergrond, vallen nooit meer terug in de
oorspronkelijke structuur. De witte oerzand zit tussen de donkere hummus.
Onderzoek met het prikijzer de exacte omtrek van het graf, prik in de harde
omtrek, de onberoerde aarde, daarna wordt een er sleuf gegraven van twee
schoppen breed die dient als loopruimte en werkruimte rondom het vermoedelijke
stoffelijk overschot. Laag na laag wordt het graf afgegraven.
Eerst met de schop, daarna met een handschep en tot slot met de borstel en het
plamuurmes. Indien punt 3 is uitgevoerd en er is met enige zekerheid te zeggen
dat hier het stoffelijk overschot ligt moet men procedure 4 en 5 niet uitvoeren.
Informeer de bevindingen aan de autoriteiten zodat zij een sporenonderzoek
kunnen uitvoeren. Voert men punt 4 en 5 toch uit en het eerste deel van het
stoffelijk overschot wordt zichtbaar leg de werkzaamheden stil en draag de
werkzaamheden over aan de autoriteiten.
|