Homepage Limburg Search & Rescue (LiSAR). De site voor informatie over reddingswerk en -honden. Ook algemene informatie over honden en een digitale online winkel zijn beschikbaar. LiSAR Search & Rescue K9 Sales center Email & hulp Winkel
BESTELLEN! Zonder risico snel en betrouwbaar winkelen
Web-Veterinair Acties
Infotheek Links Adverteren Laatste Nieuws Zoeken  
Snel en eenvoudig winkelen in de online LiSAR-winkel

De kunst van het zoeken bij langere vermissing

Algemeen
Water
Buitengebieden
Puin
Lawinehonden

De kunst van
het zoeken

Handboek
SAR procedures

English

Sta even stil bij de adverteer- en sponsormogelijkheden van LiSAR

© LiSAR 26-06-01

Het zoeken naar een langdurig vermist persoon waarbij het verdacht bestaat dat deze op een bepaalde locatie "begraven" is, blijft een moeilijke en tijdrovende bezigheid waarbij een scala aan disciplines geënt op opsporingswerkzaamheden ingezet moet worden.

Een professionele organisatie belast met het onderzoek is uiteraard de Politie en Justitie. Vooronderzoek, forensisch onderzoek e.d. dienen uiteraard overgelaten te worden aan deze professionelen.

Bij een groot aantal onderzoeken is het op een gegeven moment noodzakelijk of wenselijk dat een gebied onderzocht wordt door een geleider met lijken-speurhond.

Menige hondengeleider van Overheidsorganisaties en Vrijwilligersorganisaties in Nederland beweren voldoende kennis in huis te hebben om een zoekactie naar een vermist persoon tot een goed einde te brengen. Zij erkennen wellicht of beseffen niet dat ook deze activiteit een zeer grote mate van professionaliteit vereist.De onderstaande voorbeelden geven duidelijk aan dat dit "professionele besef" nodig bijgeschaafd moet worden:

  • Er zijn zoekacties geweest waarbij Justitie surveillancehonden heeft ingezet voor het speuren naar vermiste personen. Betreffende honden worden normaal bij evenementen etc. ingezet, waarbij het geweldsaspect een rol speel, een specialisatie "het zoeken naar vermiste personen", is deze honden nooit geleerd.
  • Sommige vrijwilligersorganisaties hebben speurhonden ingezet, als de vermiste persoon niet meer in leven kan zijn, dit terwijl de overlevingskans van een vermist persoon drastisch daalt na de eerste 24 uur.
  • De inzet door justitie van een surveillancehond bij een verdrinkingsongeval.

Te vaak worden speurhonden ingezet die geen specialisatie, lijkenspeurhond, gevolgd hebben. Dit is het geval bij het waterzoeken (personen die verdronken zijn) en bij het zogenaamde vlakte revieren (vermissingen in een landelijke omgeving).
Veel honden die ingezet worden bij het waterzoeken hebben alleen geleerd om een duiker te lokaliseren. Dit is naar de mening van LiSAR onvoldoende. Naast de duiker zijn voor deze opleiding echte en
chemische geur stoffen onontbeerlijk. Het blijkt echter dat 98% van de organisaties beschikt niet over deze stoffen.
Naast de blijvende onzekerheid van familieleden is het een kwalijke zaak dat een gebied door onprofessionele begeleiding onterecht wordt vrij gegeven (dit betekend dat er niemand in ligt).
LiSAR pleit dan ook voor een goede opleiding van geleider en hond. Een opleiding die zorgdraagt voor een maximale toesnijding op de later in te vullen taak en inzetbaarheid. Verder stellen wij dat indien toch gebruik gemaakt moet worden van "gewone speurhonden" dit nooit later dan de eerste 24 uur na vermissing moet geschieden. Zoekacties op latere tijdstippen dienen altijd door een gespecialiseerd team uitgevoerd te worden.

 

Achtergrond informatie.

Wat belangrijk is voor een zoekactie, is om aan de weet te komen of de persoon nog in leven is of niet. Als de persoon in leven is kan gebruik gemaakt worden van: De kunst van het zoeken.
Indien de zoekactie uitgevoerd wordt op basis van de aanname dat de persoon overleden is of sprake is van een langere "vermissingszaak" kan onderstaande informatie nuttige zijn. 

  • De vertering van een stoffelijk overschot.

De snelheid waarin een stoffelijk overschot verteert is sterk afhankelijk van de structuur van de aarde, hoe meer zuurstof met het lichaam in contact komt des te sneller zal het lichaam verteren.
Als een stoffelijk overschot open en bloot licht zal het binnen een jaar volledig geskeletteerd zijn. In warme gebieden zoals in de woestijn zal dit al na twee maanden het geval zijn.
In kleilaag wordt een lichaam volledig afgesloten van zuurstof en is vertering onmogelijk. Een lichaam in een kleilaag zal volledig mummificeren. In droge aarde zal een lichaam binnen vijf jaar volledig zijn geskeletteerd. Water vertraagd de vertering en in drassige grond duurt het tien jaar. Indien op de dag van een gedolven graf (de vermissing) het goed heeft geregend en zodoende het graf erg nat is geweest is de kans groot dat de staat van ontbinding minder ver gevorderd is. 
De gezondheid van een vermist persoon, dikke vetlagen, forse spiervorming en of zelfs de kleding werken vertragend op het verteringsproces.
Een strak geweven spijkerbroek conserveert beter dan een flanellen zomerbroek en Nylons houden de vertering helemaal tegen. Het is mogelijk dat het nylon nog intact is en dat de geskeletteerde benen er nog inzitten.
Is het lichaam in plastic gewikkeld, stopt de vertering en de inhoud wordt geconserveerd. 

  • Uiteenzetting.

De snelheid van ontbinding is afhankelijk van temperatuur, vochtigheid en omgeving:

Mate van ontbinding:

  • - koud(<10C)/ warm(>10C) langzaam/ snel
  • - droog/ vochtig langzaam/ snel
  • - begraven/ open langzaam/ snel

De oorzaak is gelegen in de flora die voor ontbinding zorgt:

  • Open/ vochtig: lijkvet, bacteriën, insecten
  • Dicht/ vochtig: lijkvet, bacteriën
  • Open/ droog: bacteriën, insecten
  • Dicht/ droog: mummificatie

Zo kan tot een schatting gekomen worden hoe lang een lichaam nog aanwezig is:

  • Tot een halfjaar: warm/ vochtig/ open
  • Half tot 1 jaar: warm/ vochtig/ dicht
  • 1 tot 3 jaar: koud/ vochtig/ open en warm/ droog/ open
  • 3 tot 5 jaar: koud/ vochtig/ dicht en koud/ droog/ open en warm/ droog/ dicht
  • 5 tot 10 jaar: koud/ droog/ dicht

Deze omstandigheden spelen niet alleen een rol in hoe snel een lichaam ontbindt, maar daardoor ook de hoeveelheid geur (en welke) de hond ontvangt tijdens het zoeken. 
Naast het stadium van dood speelt ook temperatuur en luchtdruk een rol in de hoeveelheid geur die de hond kan ontvangen.

  • Hoge omgevingstemperatuur: lucht stijgt hoger, meer verdamping
  • Lage omgevingstemperatuur: lucht blijft meer op het wateroppervlak hangen/ minder verdamping
  • Lage luchtdruk: sterkere verspreiding van de lucht, meer verdamping
  • Hoge luchtdruk: minder verspreiding van de lucht, minder verdamping

Daarnaast geeft een hoge windsnelheid de mogelijkheid dat de geur verder gedragen wordt.

  • Goede condities: hoge temperatuur/ lage luchtdruk/ veel wind
  • Slechte condities: lage temperatuur/ hoge luchtdruk/ weinig wind

Er zijn een paar redenen waarom iemand vermist blijft.

  1. Er is een delict in het spel.
  2. De persoon wil niet gevonden worden en/of verblijft in het buitenland.
  3. Er is hem een ongeval overkomen.

(Punt 2 en 3 worden niet behandeld).

Werkwijze in geval van een delict.

Onderstaande is enorm afhankelijk van de interpretatie en het ergens in geloven, tevens zijn doorzettingsvermogen en inzet onontbeerlijk om maximaal succes te behalen.

 Vooronderzoek.

  1. Ga na onder welke omstandigheden het delict gebeurd is, (zou zijn) welk soort dader(s) komen in aanmerking.
  2. Je moet je inleven in de daders, let niet op details deze leiden af. Kijk naar het verdachte terrein door de ogen van de moordenaar.
  3. Is het een moord met voorbedachten rade, dan kan de dader materiaal zoals een schop hebben meegenomen en kan hij dieper gegraven hebben. Wel is er de kans om ontdekt te worden, dus zal hij een plaats uitzoeken waar niemand te verwachten is.
  4. Een zedenmisdrijf is in de regel door een dader gepleegd.
  5. De impulsieve moordenaar dumpt zijn slachtoffer onder takken, bladeren of begraaft het net onder het maaiveld. Vaak is de aarde slecht aangestampt of is de begroeiing vertrapt. Het moet vlug-vlug.
  6. Houdt rekening met meerdere daders bij een afrekening, die kunnen een lichaam verder slepen dan 250 meter.
  7. Bij voorkeur het gebied tot 250 meter langs een pad dat met de auto bereikbaar is.

    Beschikte de daders wel over een auto? Welke route (zouden ze kunnen) hebben
    genomen? Waar is de verdachte auto gesignaleerd, bij voorkeur langs een pad
    met de auto bereikbaar.
    Ga na hoe zwaar het vermiste lichaam is en vraag jezelf af: Hoever kun je
    ermee slepen als het vlug moet, zelden is het meer dan 250 meter, bij een
    lichaam van zestig tot honderd kilo.
  8. Het lichaam ligt niet begraven in de buurt van bomen en struiken. Dit vanwege de aanwezigheid van wortels want hier kun je niet graven. (Indien het erg lang geleden is kunnen er wel struiken of bomen over groeien aan de hand van de leeftijd van bomen kan dan terug gerekend worden of dit mogelijk was ten tijde van de vermissing).
  9. Zoek naar een open stuk terrein in - tegen de donkere bosrand aan. De moordenaar zal een plaats opzoeken met zichtdekking.
  10. Het lichaam bevind zich vaak niet dieper dan twee meter.
  11. Gemiddeld tussen de vijftig en vijfenzeventig centimeter diep.
  12. Indien het lichaam dieper ligt dan een meter kunnen vossen, wilde zwijnen het ruiken. De ledenmaten liggen dan verspreid over het terrein. Ga dus na of deze voorkomen in het gebied.
  13. Zoek naar verzakkingen in de grond en indien het nog niet lang geleden (vers) is naar graafsporen.
  14. De locatie van een graf is zelfs naar maanden of jaren duidelijk herkenbaar door brandnetelgroei, groener gras, er woekert meer onkruid en er is explosief plantengroei. Het groeiseizoen van planten speelt een grote rol. Zoek ook naar combinaties van verzakkingen en brandnetels, groener gras, meer onkruid en explosief plantengroei.
  15. De aarde is donkerder, net alsof er een schaduw over valt.
  16. Omgespitte, donkere aarde, zonder vegetatie, betekent nog niet dat er geen lijk ligt. Soms duurt het langer dan een jaar voordat plantengroei tot boven het maaiveld doordringt.
  17. Zoek naar combinaties van deze factoren dan is het voor 70% zeker dat er een lijk ligt.
  18. Brandnetels gedijen uitstekend op gestort beton in de grond, er zit calcium in. Maar ook een stoffelijk overschot heeft goede voedingsstoffen.

Inzet in combinatie met de prikstok en lijken-speurhond.

Is eenmaal een interessant gebied gevonden dan wordt de lijkenspeurhond ingezet. De actie kan dan het beste verlopen volgens onderstaand voorschrift. 

  1. Zoek het gebied grof tegen de wind af. 2. Indien dit geen resultaat geeft gaat met over op een fijnzoek methode. 3. Indien dit nog geen resultaat geeft wordt een prikstok gebruikt.
    Prik met de prikstok om de 50 centimeter en maak een rechte lijn. De tweede rij is 30 centiemeter ernaast. Tussen de eerste en tweede steek en zo verder. Ga zo het hele gebied af. Met gebruikmaking van piketten en touw.
    Zet nadat de gaten gemaakt zijn de lijkenspeurhond opnieuw op.
  2. Gebruik een prikstok tot maximaal zestig tot zeventig centimeter diep in een hoek van 45 graden, steek het gat met de wind mee.
  3. Met een prikstok ga je gemakkelijk door de grond als er voordien is gegraven. Voel je weerstand/gaat dit moeilijk, dan is de grond maagdelijk, er gaan jaren (decennia) overheen voordat de grond weer hard is.
  4. Indien je op iets stuit dat zacht is en het veert redelijk terug zou het een lichaam kunnen zijn. (zoals bij een begraven "volle" vuilnis zak). Prik erdoor en trek dan onder dezelfde hoek de prikstok terug. De rottende, afstervende bacteriën stijgen in nevelvorm of dampvorm op.
    Doordat er in een hoek van 45 graden met de wind mee geprikt is treedt er een aanzuigende werking vanaf de geurbron op. Dit is gemakkelijk ruikbaar voor de
    lijken-speurhond.
  5. Indien je nu aanwijzingen van je hond hebt "of zelf vermoedt" dat er ooit gegraven is, haal dan voorzichtig de bovenlaag, de graslaag weg, het is voor altijd zichtbaar dat de aardstructuur veranderd is.
    De zandlaag, de humuslaag en oergrond, vallen nooit meer terug in de oorspronkelijke structuur. De witte oerzand zit tussen de donkere hummus.

Onderzoek met het prikijzer de exacte omtrek van het graf, prik in de harde omtrek, de onberoerde aarde, daarna wordt een er sleuf gegraven van twee schoppen breed die dient als loopruimte en werkruimte rondom het vermoedelijke stoffelijk overschot. Laag na laag wordt het graf afgegraven.
Eerst met de schop, daarna met een handschep en tot slot met de borstel en het plamuurmes. Indien punt 3 is uitgevoerd en er is met enige zekerheid te zeggen dat hier het stoffelijk overschot ligt moet men procedure 4 en 5 niet uitvoeren. Informeer de bevindingen aan de autoriteiten zodat zij een sporenonderzoek kunnen uitvoeren. Voert men punt 4 en 5 toch uit en het eerste deel van het stoffelijk overschot wordt zichtbaar leg de werkzaamheden stil en draag de werkzaamheden over aan de autoriteiten.

 

|Homepage LiSAR|