©
LiSAR
De hond begeleidt de mens als huisdier al duizenden jaren. De hond beschikt over
een goed leervermogen, maar bezit niet de biologische eigenschappen om de eigenlijke
inhoud van de menselijke spraak te begrijpen. Hij kan dit niet om zetten in zijn denken en
handelen.
De zin en het doel van de africhting of zijn toekomstige taak kan hem niet
bewust gemaakt worden. Alle akties en reakties van de hond zijn steeds het resultaat van
zijn Psycholiogische en fysilogische eigenschappen. Net als zijn door toevalige "van
buitenaf" verkregen levens ervaring. Nooit is dit het resultaat van zijn eigen
gedachten, inzichten of combinatie.
De africhting van de hond heeft alleen succes als: hij niet vermenselijkt wordt.
Als er rekening wordt gehouden met de eigenschappen van de hond en zijn bewust zijn. De
persoon die de hond opleidt, de theoretische achtergronden kent en toepast.
Algemeen.
Het bewustzijn van een individu is uitslaggevend voor zijn reactie op de invloeden uit
zijn omgeving.Onder het bewustzijn verstaat men de gezamelijke eigenschappen van alle
psychische en fysislogische eigenschappen van een individu. Het bewustzijn is het
spiegelbeeld van zijn konstitutie en konditie.
I
De konstitutie is een geerfde, onveranderlijke, samen gesmoltene
Psychische en Fysilogische eigenschappen van een levend wezen. De konstitutie komt tot
uiting door zijn vorm, bouw van zijn anatomie. Zo ook de functie van zijn organen
II
De konditie is verkregen, steeds wisselend en door omgevingsinvloeden vormbaar,
door de konstitutie gegeven ogenblikkelijke psychische en fysologische staat, van een
levend wezen.
We onderscheiden Psychise en Psychise - konditie in:
- Eigenschappen = geerfde en verkregene (konstitutie + conditie).
- Aanleg = geerfde (kontitutie).
III
Omgevingsinvloeden zijn faktoren, die op een bepaalde manier op een levend wezen
inwerken en bij hem individuelen psychische of fysieke reakties (veranderingen) opwekken.
De reaktie of veranderingen zijn afhankelijk van de aard en wijze van de
omgevingsinvloeden. (positieve / negatieve), van de kontitutie en konditie van het
betroffen levend wezen.
Tijdens een inzet en alledaagse dag wordt ieder persoon psychische en fysiek
belast. uw wezen en daardoor uw gemoedstoestand kan in korte tijd negatiev veranderen. Bij
het opleiden / inzetten van een hond moet u zich hier van bewust zijn. De volgende
omgevings invloeden kunnen inwerken op de hond:
Geleider - te weinig inlevingsvermogen.
- Geen afgebakende rangorde.
- Veel wisseling van eigenaar.
- Slechte verzorging en begeleiding
- Te hoge belasting tijdens training / inzet.
- Onhandige en onnodige korrecties tijdens de opleiding / inzet.
- Opleiding / inzet van een zieke hond.
Rustplaats - Storen en belasten door personen, verkeer, geluid, reuk.
- Weersinvloeden.
- Te nat, te koud, of te warm.
Training / inzet - Te korte rustpauzes.
- Te lange inzet / training.
- Belasting door te harde geluiden, en reuk (negatieve).
- Weersinvloeden.
- Bodemeigenschappen (puin, split) enz.
Voer - Te veel of te weinig.
IV
Psychische eigenschappen
De psychische eigenschappen van een levend wezen is het spiegelbeeld van zijn Psychische
konstitutie en zijn psychische Conditie. Deze zijn onafscheidelijk aan het zenuwstelsel
gekoppelt.
We onderscheiden eenvoudige en bijzondere zenuwactiviteiten.
- Eenvoudige zenuwactiviteiten zijn: vertering, ademen, enz.
- Bijzondere zenuwactiviteiten zijn: vluchtneigingen, verdediging en reacties door
levenservaring. Deze worden veroorzaakt door: Temprament, zintuiglijke waarnemingen,
driften en instinct.
Temprament:
De persoonlijke reactievorm van een invidu op de omgevinginvloeden word temperament
genoemd.Naar sterkte, karakter en beweeglijkheid aan de psychische konstitutie gekoppelde
reaktie onderscheiden we de volgende types.
Sanguinisch
Karaktervast, beheerst, in zich rustend (sterk), uiterst beweeglijk en reactiesnel.
Ideaal als gebruikshond.
Cholerisch
Onbedwingbaar, niet karakter vast, zelfbewust (sterk), beweeglijk en reactiesnel. Als
gebruikshond weinig bruikbaar.
Flegmatisch
Karaktervast, rustig, weinig beweeglijk en niet erg reactiesnel. Als gebruikshond
weinig bruikbaar.
Melancholisch
Angstig, gesloten, zwak en niet belastbaar. Als gebruikshond niet bruikbaar.
Deze verdeling is schematische, de meeste individuwen zijn gemixt.
V
Zintuiglijke waarnemingen.
Door zijn zintuigen is een levend wezen in staat invloeden van buiten af waar te nemen.
Dit wordt zintuiglijke waarneming genoemd. Door de bouw en zijn functie zijn
zintuigorganen een deel van het zenuwstelsel. Daarom worden ze onder anatomie en
Fysiologie afgehandeld.
Tot de zintuiglijke waarneming horen: - Ruiken, Tasten, voelen, horen,
proeven, zien en evenwicht. Of pijn voelen nog een zintuiglijke waarneming is nog
niet bewezen. Vast staat dat pijn een beschermende factor van een levend wezen dient.
Pijn is bij ieder individu in verscheidene grenzen waarneembaar zowel pijngevoelig of
ongevoelig.
Het niet aanwezig zijn van pijngevoel is zelden en een bijzondere aangeboren afwijking,
dit kan voor een levend wezen vervelende consequenties hebben.
Het vermogen van een individu om zich door pijngevoel niet als zodanig te laten
beïnvloeden word als hardheid gezien.
Driften en instincten.
Drift en instinct zijn een bijzondere zenuwactiviteit, deze zijn aangeboren en lokken
een reaktie uit, deze reaktie word gestuurd door omgevingsinvloeden. Driften en instincten
zijn onafscheidelijk en in wisselwerking tussen een levend wezen en zijn omgeving daardoor
blijft de zelfbehoudding en zijn soort bestaan.
- Zelfbehouddrift
- Eetdrift
- Speurdrift
- Revierdrift
- Jachtdrift
- Buitdrift
- Brengdrift
- Bewegingsdrift & Bezigheidsdrift
- Speeldrift
- Vluchtdrift
- Zelf verdediging drift.
- Soort instant houding drift
- Geslachtsdrift
- Verzorgingsdrift
- Saamhorigheiddrift
|
Driften = Motor.
Instinct = stuur. |
Uit de eigen en soort behoud drift komen bij honden de
saamhorigheiddriften naar boven dit soort van samenleven word als roedel of meute
aangeduid wordt.
- Vechtdrift
- Agressiedrift
- Beschermingsdrift
- Hoede drift
Alle driften kunnen voor het gebruik benut en / of geremd worden. Driften kunnen
niet door africhting aangetrokken of ongedaan worden gemaakt.
Driftbeschrijvingen.
Zelfbehouddrift.
- De voedseldrift is een rij van driften die gelijk verbonden is met de
doelrichting. Zij zorgen ervoor dat de hond het volgende gedrag vertoont: buitdrift,
reviert, opspeurt, volgt (jagen), overwint en de buit in delen weg draagt.
- Revierdrift maakt het mogelijk dat de hond een spoor opneemt en volgt vanuit de
lucht met hoge neus en met inbegrip van ogen en oren.
- Spoordrift maakt het mogelijk dat de hond het spoor opneemt en volgt met een
diepe neus.
- Jachtdrift maakt het mogelijk dat de hond de reuk, geluid of optisch waargenomen
buit opzoekt en volgt.
- Buitdrift maakt het mogelijk dat de hond de gevolgde buit te overwinnen en buit
te maken.
- Breng of apporteerdrift maakt het mogelijk de overwonnen buit te transporteren,
verstoppen, begraven of aan de welpen te geven.
- De beweging en bezigheidsdrift komt het best tot uiting bij wilde honden, in het
dagelijks gevecht om te overleven. Bijvoorbeeld voedselverschaffing, gevechten om
rangorde, vluchten voor vijanden en andere gevaren.
De huishond die dit gevecht om te overleven vreemd is, kan zijn opgekropte Psychische en
- Fysieke energie, alleen door de mens gesteurde bezigheden ontladen (BV. Wandelen,
spelen, africhting en inzet).
De speeldrift is met de beweging en bezigheidsdrift verwant. Ook op hoge
leeftijd is dit bij de meeste huishonden nog steeds activeerbaar.
De vluchtdrift is bij honden heel sterk. Hij nadert zich voorzichtig,
terughoudend, en wantrouwend ten opzichte van alle onbekenden. Hij kan zijn drang tot
vlucht niet bedwingen zodra de vluchtoverschrijdende afstand overschreden wordt. De
vluchtoverschrijdende afstand is die afstand tussen het gevaar en het bedreigde levende
wezen. Als deze afstand niet gevrijwaard blijft reageert hij normaal door te vluchten.
De zelfverdedigingdrift komt voort uit de noodweer- reaktie van de
vluchtdrift. Als de vluchtoverschrijdende afstand overschreden wordt en vlucht niet meer
mogelijk is en de hond zich bedreigd voelt, volgt een verdedigingsaanval.
Als een hond tijdens de africhting vaak bedreigd wordt en geen
vluchtmogelijkheid heeft, kan het leiden tot een vijandelijke agressieve
omgevingsgestoorde hond. (angstbijter).
Soortbehoud-drift.
- De geslachts en voortplantingsdrift zijn door binnen en uiterlijke invloeden
uitgelokte drang naar seksuele bezigheid. Bij de reu beïnvloedt de geslachtsdrift
individueel sterk de vergeldingsdrift.
- Sterk ontwikkelde geslachtsdrift is vaak de oorzaak voor het opstandig worden van
de reu.
- Verzorgingsdrift komt tot uiting door bereidschap van de ouderdieren zijn eigen
en vreemde welpen op te nemen, ze te verzorgen en te voeden.
Saamhorigheidsdriften.
De in de saamhorigheidsdriften wortelende driftsoorten maken het samenleven in teamverband
mogelijk en is daarmee belangrijk om te overleven en het overweldigen van moeilijke
situaties.Deze driften zijn bij honden verschillend, onderling en sterk aanwezig.
De plaats van rangorde van een hond binnen het roedel wordt enerzijds door imponeer- of
dreiggebaar, rangorde gevechten, anderzijds, onderwerping gebaar en vriendschap verzekerd.
De rangorde bevindt zich midden in een labiel evenwicht en er treden voortdurende
spanningen op.
De huishond met menselijke contact ziet de mens als zijn soortgenoot. Daaruit
voortvloeiend als zij roedelleider, gelijke, rivaal of vijand. Door het karakter van de
hond probeert de hond in samenleving met de mens, in meer of mindere mate, zijn plaats in
de rangorde te verbeteren.
Waak en hoededrift
Deze komt tot uiting door bescherming van zijn roedel en grensbereik. Hij meldt het
gevaar door te grommen en te blaffen of aan te vallen. Voor de hond is zijn omgeving de
woning, tuin of kennel zijn roedel terratorium. Daarom, met de juiste aanleg en opleiding,
bewaakt hij dit tegen indringers.
Geldingsdrift.
Deze komt tot uiting door de inzet van de hond binnen zijn roedel. Door een ranghogere
plaats te bereiken, indien mogelijk het leiderschap (alfadier) in te nemen. Door de
geldingsdrift zoekt de hond ernstige gevechtshandelingen om de tegenstander zijn
lichamelijke sterkte te bewijzen.
Onderwerpings drift.
Deze komt tot uiting door het tonen van onderwerping, aan een ranghoger dier, nadat hij
deze zijn sterkte heeft getoond. De onderwerpingdrift is noodzakelijk voor een goede
gehoorzaamheid van zijn geleider.
Gevechtsdrift
Deze komt tot uiting door de inzet van lichamelijke kracht in zijn spel. Met
toenemende leeftijd en ontwikkeling van zijn geldingsdrift zal hij dit gaan gebruiken om
zijn plaats in het roedel te vestingen.
De gevechtsdrift is te vergelijken met menselijke geweldadigheid. Honden met een
sterke gevechtsdrift schijnen in het gevecht evenveel plezier te vertonen als een
gewelddadig mens.
Agressiedrift
Komt tot uiting in het bereid zijn van een gevechtssterke hond, door op een bedreiging
afwerend en aanvallend te reageren. De snelheid waarmee de hond een weerreactie laat zien
is afhankelijk van zijn temparament en geldingsdrift.
Beschermingsdrift
Komt tot uiting doordat hij zijn roedel/(ook huisgenoten) bijstaat en verdedigt, indien
deze bedreigd worden. Karakteristiek voor een uitmuntende gevechtsdrift zijn.
Physische sterkte (gespierd gevoel)
- Innerlijke zekerheid
- Onverschrokken
- Buitdrift (uitmuntend)
- Geldingsdrift
- Hardheid
- De innerlijke zekerheid is dat de hond een belastbaar zenuwstelsel en het gevoel
van lichamelijke kracht heeft. Deze is met de menselijke zelfzekerheid te vergelijken.
- Onverschrokken resulteert uit de innerlijke zekerheid. De hond houdt stand in
onbekende situaties en overwint deze. En eventueel bij bedreiging aanvallend op te treden.
- De buitdrift zorgt ervoor dat de hond, de buit door snel en vast toebijten het
vluchten verhinderd en overwint.
- Onder hardheid van een hond wordt verstaan zijn vermogen onaannemelijkheden te
nemen zonder zich nadelig te laten be-indrukken.
|